Participatieladder: verschil tussen versies
Nieuwe pagina: = '''Participatieladder''' = <br>Een participatieladder geeft de mate van interactief beleid op een schematische wijze weer.<br>Kort wordt het oorsprongelijk door Sherry Arnstein bed... |
Geen bewerkingssamenvatting |
||
| Regel 3: | Regel 3: | ||
<br>Een participatieladder geeft de mate van interactief beleid op een schematische wijze weer.<br>Kort wordt het oorsprongelijk door Sherry Arnstein bedachte model toegelicht, waarna een variant hierop wordt voorgesteld. Tenslotte worden enkele kritieken op een participatieladder geformuleerd. | <br>Een participatieladder geeft de mate van interactief beleid op een schematische wijze weer.<br>Kort wordt het oorsprongelijk door Sherry Arnstein bedachte model toegelicht, waarna een variant hierop wordt voorgesteld. Tenslotte worden enkele kritieken op een participatieladder geformuleerd. | ||
==== '''Model Sherry Arnstein (1969)''' ==== | ==== '''Model Sherry Arnstein (1969)''' ==== | ||
<br>Sherry Arnstein (1969) ontwierp oorspronkelijk een participatieladder met acht treden. Ze hanteerde hierbij als centrale vraag: “Is er al dan niet een machtsherverdeling waarbij diegenen die de macht in handen hebben, een deel ervan afstaan aan de zogenaamde have-nots (dit is de massa zonder macht)?”. Actieve participatie houdt in dat het individu/de burger kan “deel-nemen” aan de vormgeving van de samenleving. Opdat de participant meer structurele kansen heeft om het beleid te beïnvloeden, worden zijn/haar positie en competenties ontwikkeld en ondersteund. Hoe lager op de ladder hoe minder sprake van participatie volgens Arnstein (1969).<br> | <br>Sherry Arnstein (1969) ontwierp oorspronkelijk een participatieladder met acht treden. Ze hanteerde hierbij als centrale vraag: “Is er al dan niet een machtsherverdeling waarbij diegenen die de macht in handen hebben, een deel ervan afstaan aan de zogenaamde have-nots (dit is de massa zonder macht)?”. Actieve participatie houdt in dat het individu/de burger kan “deel-nemen” aan de vormgeving van de samenleving. Opdat de participant meer structurele kansen heeft om het beleid te beïnvloeden, worden zijn/haar positie en competenties ontwikkeld en ondersteund. Hoe lager op de ladder hoe minder sprake van participatie volgens Arnstein (1969).<br> | ||
| Regel 13: | Regel 13: | ||
De onderste twee treden slaan op wat Arnstein noemt “non-participatie”. Ze geven de machthebbers de mogelijkheid participanten te heropvoeden eerder dan hen werkelijk te laten participeren bij de opstelling van een plan. <br>De treden drie en vier vallen onder de noemer tokenisme, hetwelk de “machtelozen” de mogelijkheid biedt te horen en gehoord te worden. Er blijft hier echter een gebrek aan daadkracht, waardoor de meeste wensen dode letter blijven. Op de vijfde trede komt daar bij dat men advies mag verlenen, maar dat de uiteindelijke beslissingsmacht toch nog bij de machthebbers ligt.<br>Vanaf trede zes krijgen burgers de mogelijkheid zich in een onderhandelingspositie met de machthebbers te plaatsen. Wanneer we nog een stap hoger gaan naar de niveau’s zeven en acht krijgen burgers het merendeel van de beslissinghebbende zetels, of zelfs de volledige soevereiniteit, toegewezen. | De onderste twee treden slaan op wat Arnstein noemt “non-participatie”. Ze geven de machthebbers de mogelijkheid participanten te heropvoeden eerder dan hen werkelijk te laten participeren bij de opstelling van een plan. <br>De treden drie en vier vallen onder de noemer tokenisme, hetwelk de “machtelozen” de mogelijkheid biedt te horen en gehoord te worden. Er blijft hier echter een gebrek aan daadkracht, waardoor de meeste wensen dode letter blijven. Op de vijfde trede komt daar bij dat men advies mag verlenen, maar dat de uiteindelijke beslissingsmacht toch nog bij de machthebbers ligt.<br>Vanaf trede zes krijgen burgers de mogelijkheid zich in een onderhandelingspositie met de machthebbers te plaatsen. Wanneer we nog een stap hoger gaan naar de niveau’s zeven en acht krijgen burgers het merendeel van de beslissinghebbende zetels, of zelfs de volledige soevereiniteit, toegewezen. | ||
Variant op het model van Arnstein<br>Doordat het model van Arnstein door verscheidene auteurs werd aangevuld en gewijzigd, bestaan er momenteel verschillende varianten. Zoals in onderstaande tabel te zien is maken Edelenbos en Monnikhof (2001) een onderscheid op basis van slechts vijf niveaus van participatie. | ==== '''Variant op het model van Arnstein''' ==== | ||
'''<br>'''Doordat het model van Arnstein door verscheidene auteurs werd aangevuld en gewijzigd, bestaan er momenteel verschillende varianten. Zoals in onderstaande tabel te zien is maken Edelenbos en Monnikhof (2001) een onderscheid op basis van slechts vijf niveaus van participatie. | |||
<br>[[Image:Tabel ladder1.JPG]] | <br>[[Image:Tabel ladder1.JPG]] | ||
[[Image:Tabel ladder2.JPG]] | [[Image:Tabel ladder2.JPG]] | ||
==== '''Kritiek op de participatieladder''' ==== | ==== '''Kritiek op de participatieladder''' ==== | ||
Versie van 9 nov 2009 15:22
Participatieladder
Een participatieladder geeft de mate van interactief beleid op een schematische wijze weer.
Kort wordt het oorsprongelijk door Sherry Arnstein bedachte model toegelicht, waarna een variant hierop wordt voorgesteld. Tenslotte worden enkele kritieken op een participatieladder geformuleerd.
Model Sherry Arnstein (1969)
Sherry Arnstein (1969) ontwierp oorspronkelijk een participatieladder met acht treden. Ze hanteerde hierbij als centrale vraag: “Is er al dan niet een machtsherverdeling waarbij diegenen die de macht in handen hebben, een deel ervan afstaan aan de zogenaamde have-nots (dit is de massa zonder macht)?”. Actieve participatie houdt in dat het individu/de burger kan “deel-nemen” aan de vormgeving van de samenleving. Opdat de participant meer structurele kansen heeft om het beleid te beïnvloeden, worden zijn/haar positie en competenties ontwikkeld en ondersteund. Hoe lager op de ladder hoe minder sprake van participatie volgens Arnstein (1969).
De onderste twee treden slaan op wat Arnstein noemt “non-participatie”. Ze geven de machthebbers de mogelijkheid participanten te heropvoeden eerder dan hen werkelijk te laten participeren bij de opstelling van een plan.
De treden drie en vier vallen onder de noemer tokenisme, hetwelk de “machtelozen” de mogelijkheid biedt te horen en gehoord te worden. Er blijft hier echter een gebrek aan daadkracht, waardoor de meeste wensen dode letter blijven. Op de vijfde trede komt daar bij dat men advies mag verlenen, maar dat de uiteindelijke beslissingsmacht toch nog bij de machthebbers ligt.
Vanaf trede zes krijgen burgers de mogelijkheid zich in een onderhandelingspositie met de machthebbers te plaatsen. Wanneer we nog een stap hoger gaan naar de niveau’s zeven en acht krijgen burgers het merendeel van de beslissinghebbende zetels, of zelfs de volledige soevereiniteit, toegewezen.
Variant op het model van Arnstein
Doordat het model van Arnstein door verscheidene auteurs werd aangevuld en gewijzigd, bestaan er momenteel verschillende varianten. Zoals in onderstaande tabel te zien is maken Edelenbos en Monnikhof (2001) een onderscheid op basis van slechts vijf niveaus van participatie.
Kritiek op de participatieladder
Een eerste vorm van kritiek die op dit model geformuleerd kan worden is dat men uitgaat van een eenzijdig beeld van participatievormen. De realiteit is dat participatievormen vaak veel complexer zijn en zich op meerdere treden van het het model situeren.
Daarnaast dient opgemerkt te worden dat in realiteit noch de have-nots, noch de machthebbers een monolithisch blok vormen. Het gebruik van dit beeld kan echter gerechtvaardigd worden door het feit dat deze groepen elkaar wel als dusdanig percipiëren.
Referenties
Arnstein, Sherry R. (1969). A Ladder of Citizen Participation, Boston: American Institute of Planners, Vol. 35, No. 4, July 1969, pp. 216-224.
Devos, C. (2006). De kleermakers en de keizer. Inleiding tot de politiek en de politieke wetenschappen, Gent: Academia Press, p. 210.
Germonpré, S., Goubin, E., Rubben, M. (2006). Van schietstand tot denktank bewonersplatforms als inspirerend model voor steden en gemeenten. Sint-Brugge: Samenlevingsopbouw West-Vlaanderen, p. 16.
Heins, M. (2001). Interactieve beleidsvorming, een houding. Leeuwarden: Heins Advies, p.2.
Instituut voor Publiek en Politiek (2002). Eindverslag onderzoek Grotestedenbeleid. Participatie in het publiek domein. Amsterdam: Instituut voor Publiek en Politiek, p. 67.
Kalk, E. & De Rynck, F. (2003). Burgerbetrokkkenheid en bewonersparticipatie in de Vlaamse steden, In: De Rynck, F. (Red.), Voorstudies-Witboek Stedenbeleid: De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden, Project stedenbeleid, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, pp. 453-479.