Vormingsmethodieken

Inleiding <ref>Educatieve programma’s maken. Een inleiding in de methodiek van het programmeren, H. Hinnekint.</ref>

Bij een methodiek staat een bewuste, doelgerichte, procesmatige, systematische doordachte manier van handelen centraal (vormt één geheel met de visie). Een methodiek staat in tegenstelling tot een intuïtieve werkwijze. Als organisatie moet men constant keuzes en afwegingen maken tussen:

  • de leermiddelen (hulpmiddelen die het leren bevorderen bvb. brochures, documentatiemappen, audiovisueel materiaal, enz)
  • de procedures (ter ondersteuning van het functioneren van bepaalde werkwijzen, bvb. kennismakingsprocedures),
  • de werkvormen (manier van werken die door een organisatie wordt gehanteerd om een bepaald programma te realiseren bvb. een studiedag) de werkwijzen (manier van werken om een bepaald leerdoel te realiseren bvb. rollenspel, er kunnen verschillende werkwijzen binnen een werkvorm voorkomen).


Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen werkvormen waarbij het accent ligt op het individueel leren, het leren in groepsverband en het leren in een groter sociaal verband:

1) Individueel leren

  • (Individuele) raadgeving (counseling)/dienstbetoon: advies en begeleiding verstrekken op vraag op vraag van werklozen en informatie aanbieden.

2) Leren in groepsverband

  • Infosessies, bijeenkomsten
  • Cursussen of leergangen: overdracht van informatie, leerdoelen vastleggen en een leerroute uitstippelen

3) Leren in groter sociaal verband

  • Opbouwwerk: het gaat om het introduceren en het begeleiden van verbeteringsprocessen in grote groepen of gemeenschappen. Binnen het opbouwwerk kunnen verschillende werkmethoden onderscheiden worden zoals de sociale actie.
  • (Educatieve) campagne: via een campagne wil men de brede bevolking sensibiliseren voor bepaalde problemen, informatie verstrekken of inwerken op de mentaliteit. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de pers, radio, tv, enz.


Bij de werkwijzen maakt men een onderscheid tussen:

1) Werkwijzen gesteund op waarnemen
bvb. de presentatie of vertoning; de video

2) Werkwijzen gesteund op luisteren of lezen
bvb. individuele studie (via publicaties, brochures, tijdschrift, educatieve uitzendingen via radio of tv); informatieoverdracht; voordracht/lezing;

3) Werkwijzen gesteund op gesprek
bvb. counseling; gespreksvormen: groepsdiscussie, brainstorming, enz. ;

4) Werkwijzen gesteund op doen
bvb. werkgroepen: projectgroepen, taakgroepen, atelier, workshop, enz.;

5) Werkwijzen die steunen op directe of indirecte ervaring
bvb. ervaringsoefeningen en –spelen (competenties aanleren): rollenspelen, interactiespelen.


De keuze voor een welbepaalde methode wordt bepaald door:

  • de inhoud van het programma
  • de leerdoelen die men vooropstelt
  • de deskundigheid en ervaring van de professionals die de methodes moeten hanteren
  • de instelling van de deelnemers (hun verwachtingen en wensen t.a.v. de methodes)
  • de mogelijkheden van de werkvormen, werkwijzen en procedures

De opleiders/begeleiders/ondersteuners

Enkele belangrijke eigenschappen

  • Respect voor opvattingen en ideeën van de deelnemers: men moet zich bewust zijn van de relativiteit van de eigen opvattingen als begeleider wat niet betekent dat men als lesgever zijn eigen opvattingen angstvallig moet verbergen (een getuigenis roept op tot een grotere betrokkenheid bij de deelnemers)
  • Eerbied voor de privé-aangelegenheid: het niet bekend maken van privézaken in de groep en eerbied tonen wanneer mensen bepaalde zaken niet bespreekbaar willen maken.
  • Kunnen verwijzen als begeleider: bij problemen verwijzen naar professionele hulpverleners. Men moet wel aandacht hebben voor de dingen waar de deelnemers mee zitten zoniet leidt het hen af van de educatieve bezigheden.
  • Vakbekwaamheid: goed geïnformeerd zijn over het domein waarin men optreedt. Goede informatie moet ook goed gebracht worden, op maat van de mensen die men voor zich heeft.
    Deskundigheid op inhoudelijk vlak: beschikken over de nodige informatie en zich regelmatig bijscholen. Een grote dosis vertrouwen in het eigen kennen en kunnen is ook noodzakelijk, zoniet krijgen de deelnemers er een onveilig gevoel bij.
    Deskundigheid op methodisch vlak: de inhoud moet op een gepaste manier overgebracht worden. De begeleider dient de deelnemers als gelijkwaardige volwassenen te beschouwen. De inhoud wordt best aangebracht in een taal die de taal is van de deelnemers. Een warme stem, gebruik van mimiek en van handen scheppen nabijheid. Men moet altijd vetrekken vanuit de behoeften van de deelnemers: waarom komen ze?
  • De eigen blokkades kennen: blokkades van fysieke aard (vermoeid, ziek), het werktempo (de begeleider gaat te vlug doorheen de materie zodat de groep zich overdonderd voelt en dichtklapt of onderling begint te praten), te veel routine (verlies aan motivatie zodat men niet meer zo alert is om in te spelen op de behoeften van de groep).
    De begeleider vervult een modelfunctie: bij het begin van een groep is de
    betrokkenheid op de begeleider zeer groot. Men verwacht en ontvangt informatie van
    de begeleider? Wanneer de groep zich wat meer thuis voelt zal de communicatie
    tussen de deelnemers ook meer gekruist verlopen.
    Een goede begeleider moet in feite een duizendpoot zijn. Er worden eisen gesteld
    zowel qua inhoudelijke en methodische deskundigheid als qua betrokkenheid bij de
    doelstelling en functionering van de groep.
    De hoofdmotivatie van de begeleider moet steeds zijn dat hij/zij iets wil doen ten
    dienste van de deelnemers. Een grote dosis enthousiasme van de lesgever is dan
    ook geen overbodige luxe. Ook aandacht voor constante bijscholing en bevraging
    van zichzelf is zeker onmisbaar.
    Bron: Dusauchoit, V., (1991), Vanuit de Ervaring. Vormingswerk met volwassenen, Leuven:
    Acco, 154 p.


<references />