Vormingsmethodieken

Versie door Sociumi (overleg | bijdragen) op 18 jun 2010 om 12:31

Inleiding <ref>Educatieve programma’s maken. Een inleiding in de methodiek van het programmeren, H. Hinnekint</ref>

Bij een methodiek staat een bewuste, doelgerichte, procesmatige, systematische doordachte manier van handelen centraal (vormt één geheel met de visie). Een methodiek staat in tegenstelling tot een intuïtieve werkwijze. Als organisatie moet men constant keuzes en afwegingen maken tussen:

  • de leermiddelen (hulpmiddelen die het leren bevorderen bvb. brochures, documentatiemappen, audiovisueel materiaal, enz)
  • de procedures (ter ondersteuning van het functioneren van bepaalde werkwijzen, bvb. kennismakingsprocedures),
  • de werkvormen (manier van werken die door een organisatie wordt gehanteerd om een bepaald programma te realiseren bvb. een studiedag) de werkwijzen (manier van werken om een bepaald leerdoel te realiseren bvb. rollenspel, er kunnen verschillende werkwijzen binnen een werkvorm voorkomen).


Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen werkvormen waarbij het accent ligt op het individueel leren, het leren in groepsverband en het leren in een groter sociaal verband:

1) Individueel leren

  • (Individuele) raadgeving (counseling)/dienstbetoon: advies en begeleiding verstrekken op vraag op vraag van werklozen en informatie aanbieden.

2) Leren in groepsverband

  • Infosessies, bijeenkomsten
  • Cursussen of leergangen: overdracht van informatie, leerdoelen vastleggen en een leerroute uitstippelen

3) Leren in groter sociaal verband

  • Opbouwwerk: het gaat om het introduceren en het begeleiden van verbeteringsprocessen in grote groepen of gemeenschappen. Binnen het opbouwwerk kunnen verschillende werkmethoden onderscheiden worden zoals de sociale actie.
  • (Educatieve) campagne: via een campagne wil men de brede bevolking sensibiliseren voor bepaalde problemen, informatie verstrekken of inwerken op de mentaliteit. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de pers, radio, tv, enz.


Bij de werkwijzen maakt men een onderscheid tussen:

1) Werkwijzen gesteund op waarnemen
bvb. de presentatie of vertoning; de video

2) Werkwijzen gesteund op luisteren of lezen
bvb. individuele studie (via publicaties, brochures, tijdschrift, educatieve uitzendingen via radio of tv); informatieoverdracht; voordracht/lezing;

3) Werkwijzen gesteund op gesprek
bvb. counseling; gespreksvormen: groepsdiscussie, brainstorming, enz. ;

4) Werkwijzen gesteund op doen
bvb. werkgroepen: projectgroepen, taakgroepen, atelier, workshop, enz.;

5) Werkwijzen die steunen op directe of indirecte ervaring
bvb. ervaringsoefeningen en –spelen (competenties aanleren): rollenspelen, interactiespelen.


De keuze voor een welbepaalde methode wordt bepaald door:

  • de inhoud van het programma
  • de leerdoelen die men vooropstelt
  • de deskundigheid en ervaring van de professionals die de methodes moeten hanteren
  • de instelling van de deelnemers (hun verwachtingen en wensen t.a.v. de methodes)
  • de mogelijkheden van de werkvormen, werkwijzen en procedures

De opleiders/begeleiders/ondersteuners<ref>Dusauchoit, V., (1991), Vanuit de Ervaring. Vormingswerk met volwassenen, Leuven: Acco, 154 p.</ref>

Enkele belangrijke eigenschappen

  • Respect voor opvattingen en ideeën van de deelnemers: men moet zich bewust zijn van de relativiteit van de eigen opvattingen als begeleider wat niet betekent dat men als lesgever zijn eigen opvattingen angstvallig moet verbergen (een getuigenis roept op tot een grotere betrokkenheid bij de deelnemers)
  • Eerbied voor de privé-aangelegenheid: het niet bekend maken van privézaken in de groep en eerbied tonen wanneer mensen bepaalde zaken niet bespreekbaar willen maken.
  • Kunnen verwijzen als begeleider: bij problemen verwijzen naar professionele hulpverleners. Men moet wel aandacht hebben voor de dingen waar de deelnemers mee zitten zoniet leidt het hen af van de educatieve bezigheden.
  • Vakbekwaamheid: goed geïnformeerd zijn over het domein waarin men optreedt. Goede informatie moet ook goed gebracht worden, op maat van de mensen die men voor zich heeft.
    Deskundigheid op inhoudelijk vlak: beschikken over de nodige informatie en zich regelmatig bijscholen. Een grote dosis vertrouwen in het eigen kennen en kunnen is ook noodzakelijk, zoniet krijgen de deelnemers er een onveilig gevoel bij.
    Deskundigheid op methodisch vlak: de inhoud moet op een gepaste manier overgebracht worden. De begeleider dient de deelnemers als gelijkwaardige volwassenen te beschouwen. De inhoud wordt best aangebracht in een taal die de taal is van de deelnemers. Een warme stem, gebruik van mimiek en van handen scheppen nabijheid. Men moet altijd vetrekken vanuit de behoeften van de deelnemers: waarom komen ze?
  • De eigen blokkades kennen: blokkades van fysieke aard (vermoeid, ziek), het werktempo (de begeleider gaat te vlug doorheen de materie zodat de groep zich overdonderd voelt en dichtklapt of onderling begint te praten), te veel routine (verlies aan motivatie zodat men niet meer zo alert is om in te spelen op de behoeften van de groep).


De begeleider vervult een modelfunctie: bij het begin van een groep is de betrokkenheid op de begeleider zeer groot. Men verwacht en ontvangt informatie van de begeleider? Wanneer de groep zich wat meer thuis voelt zal de communicatie tussen de deelnemers ook meer gekruist verlopen. Een goede begeleider moet in feite een duizendpoot zijn. Er worden eisen gesteld zowel qua inhoudelijke en methodische deskundigheid als qua betrokkenheid bij de doelstelling en functionering van de groep. De hoofdmotivatie van de begeleider moet steeds zijn dat hij/zij iets wil doen ten dienste van de deelnemers. Een grote dosis enthousiasme van de lesgever is dan ook geen overbodige luxe. Ook aandacht voor constante bijscholing en bevraging van zichzelf is zeker onmisbaar.


Aandacht voor motivatiebevorderende factoren


Er zijn uiteenlopende motieven waarom mensen een vorming volgen. Sommigen zijn minder gemotiveerd dan anderen. Toch is een goede motivatie belangrijk aangezien ze het leerproces en de leerprestaties van de cursisten beïnvloedt. De begeleider kan bij het ontwikkelen van de vorming een bijdrage leveren om die motivatie op te peil te houden en/of te bevorderen.

Motivatie bevorderende factoren

  • Een goede voorlichting over de cursus: de cursisten moeten duidelijk weten wat de vorming inhoudt en wat er van hen verwacht wordt. Wanneer de cursus niet overeenkomt met de verwachtingen bestaat het risico dat ze zich terugtrekken of zich ongemotiveerd gaan gedragen.
  • Zorg ervoor dat je zelf gemotiveerd bent, dat wordt afgestraald op de groep.
  • Ken uw cursisten. Probeer waar mogelijk enige informatie over de deelnemers te verzamelen. Een kennismakingsronde bij het begin is steeds interessant.
  • Geef de deelnemers een stuk verantwoordelijkheid, laat ze waar mogelijk meedenken en bied hun mogelijkheden om zaken in te brengen.
  • Neem uw deelnemers serieus. Laat ze merken dat ze meetellen, dat het u interesseert hoe ze zich voelen en gedragen.
  • Kies voor een gevarieerde aanpak qua didactische werkvormen. Horen, zien en doen geeft een hoger rendement en zorgt voor een grotere betrokkenheid.
  • Houd rekening met de gevoelens. Probeer zodra u merkt dat er spanningen of irritaties in de groep ontstaan deze te verminderen of weg te nemen.
  • Zorg voor een niet al te grote groep. Bij een kleinere groep is er sneller onderling contact mogelijk.
  • Accepteer van de deelnemers dat ze fouten maken. Raak niet geïrriteerd wanneer het begrijpen en verwerken van de stof langer duurt dan ingeschat.
  • Wees eerlijk, zeg wat u wilt zeggen en draai er niet omheen.
  • Bevorder het samenhorigheidsgevoel. Laat de deelnemers samen aan een opdracht werken, iets bediscussiëren.
  • Zorg dat u aanspreekbaar bent tijdens de bijeenkomst en indien gewenst ook daarna.
  • Zorg ervoor dat eventueel schriftelijk materiaal aantrekkelijk om lezen is.
  • Zorg voor een optimale lesaccommodatie.
  • De begeleider moet duidelijk aangeven wat het belang is van de vorming. De deelnemers willen horen hoe relevant het aangeboden materiaal is voor hun functioneren.

Hoe krijg ik aandacht? Hoe houdt ik de aandacht vast tot het einde van mijn verhaal? Wat moet ik doen om te boeien?
Zorg ervoor dat u voldoende energie hebt.
Zorg voor variatie in de lesvormen.
Zorg voor een concreet verhaal dat op de juiste momenten van voorbeelden wordt voorzien. Blijf niet steken in theorie.
Confrontatie met een pittige uitspraak of een uitdagende stelling werkt ook.

 


<references />
<references />