Actief burgerschap in de adolescentie

Versie door Sociumi (overleg | bijdragen) op 11 aug 2010 om 11:49

Inleiding

Het woord ‘adolescentie’ wordt gebruikt voor de periode tussen de kinderjaren en de volwassenheid. Dit is een periode van overgang, waarin zich op verschillende terreinen en in een snel tempo veel ontwikkelingen voordoen<ref>De Wit, J., Psychologie van de adolescentie, 1999, p.13. Laatste, herwerkte uitgave van dit boek dateert van 2006.</ref>. Hoe en op welke manier krijgt ‘actief burgerschap’ vorm binnen deze specifieke levensfase? Dit themadossier geeft een inleiding op het onderwerp.

Wat is adolescentie?

Afbakening

De kinderjaren zijn voor veel kinderen een periode van betrekkelijke zekerheid. De normen liggen nog min of meer vast, zij twijfelen nog niet aan hun waarden en ervaren hun omgeving over het algemeen nog als veilig en betrouwbaar. Rond het twaalfde jaar beginnen een aantal veranderingen op te treden die samenhangen met de ontwikkeling naar de volwassenheid. In het dagelijks spraakgebruik noemt met dit vaak de ‘puberteit’, of de ‘adolescentie’. De adolescentie duurt dus ongeveer van het 12de tot het 22ste levensjaar, maar kan ook wel enkele jaren eerder beginnen of later eindigen<ref>Rooijendijck, De mens in thema’s, 1998, p.121.</ref>. In deze periode ontwikkelt de ‘adolescent’ zich op allerhande vlakken:
• lichamelijk
• cognitief
• op vlak van zijn/haar identiteit
• (…)

Fase met veel veranderingen

Lichamelijke ontwikkeling

Ook in de kindertijd groeit het lichaam, maar in de puberteit is er sprake van een duidelijke versnelling in de groei. De leeftijd waarop die groeiversnelling begint, kan erg variëren per kind. Bij jongens begint die tussen 10,5 en 16 jaar. Bij meisjes begint de groeiversnelling tussen de 7,5 en 13 jaar. Daarnaast start het ‘seksuele rijpingsproces’. Jongens worden ‘geslachtsrijp’ tussen 10 en 15 jaar, meisjes tussen 9 en 14 jaar<ref>De mens in thema’s, p.122.</ref>. Door al deze veranderingen wordt de jongere erg onzeker over zijn uiterlijk. Hij of zij ziet zijn lichaam veranderen en vergelijkt dit met anderen. Bovendien lijkt uiterlijk schoon soms van levensbelang voor de puber. Al deze veranderingen spelen dus een belangrijke rol in de psyche van de jongere.

Cognitieve ontwikkeling

Het denken van een adolescent vertoont een belangrijke, nieuwe dimensie: het abstracte denken. Terwijl het denken van een kind zich beperkt tot concrete zaken, kan een adolescent nadenken over abstracte zaken en begrippen. Bijvoorbeeld: als aan kinderen gevraagd wordt wat voor taken de regering heeft, noemen ze concrete zaken zoals wegen aanleggen of huizen bouwen. Adolescenten beschrijven de taak van de regering in veel algemener termen: zij noemen zaken als het handhaven van de wet en het beschermen van de vrije meningsuiting<ref>Psychologie van de adolescentie, p.72-73.</ref>. Abstract denken betekent dus dat de adolescent kan nadenken over zaken die niet waarneembaar zijn; hij of zij kan verdergaan dan het hier en nu aanwezige, in tegenstelling tot kinderen die ‘concreet’ denken. Een ander voorbeeld: als je aan kinderen vraagt wat ze later willen worden, kiezen zij bijna altijd voor concrete beroepen: postbode, bakker, brandweerman enzoverder. Adolescenten echter antwoorden vaker abstracter: ze willen ‘iets’ met talen doen, of ‘iets’ in de sociale sector. Zij maken dus veralgemeningen die abstracter zijn.

Identiteitsontwikkeling

De centrale ontwikkelingstaak in de adolescentie is in navolging van Erikson te typeren als het ontwikkelen van een eigen identiteit. Dit houdt in dat jongeren zich geleidelijk losmaken van de wereld van de ouders en het gezin waarin zij opgegroeid zijn. Gaandeweg ontwikkelen ze een eigen stijl in relaties met andere mensen<ref>Psychologie van de adolescentie, p.13.</ref>. Gelukkig is deze ontwikkeling een proces van jaren, waarbij jongeren langzaamaan steeds meer verantwoordelijkheid voor hun eigen leven gaan dragen. Als het goed is, kunnen jongeren tijdens hun adolescentie nog steunen op hun opvoeders. Opvoeders moeten meer op afstand begeleiden, maar ook nabij kunnen zijn. De jongere gaat zich (langzaamaan) losmaken van de opvoeders, de opvoeders moeten de jongere steeds meer loslaten.

<references />

<references />

<references />

<references />