Participatieladder
Een participatieladder geeft de mate van interactief beleid op een schematische wijze weer.
Het oorspronkelijke model van Sherry Arnstein wordt kort toegelicht, waarna een variant hierop wordt voorgesteld. Tenslotte worden enkele kritieken op de participatieladder geformuleerd.
Model Sherry Arnstein (1969)
Sherry Arnstein (1969) ontwierp oorspronkelijk een participatieladder met acht treden. Ze hanteerde hierbij als centrale vraag: “Is er al dan niet een machtsherverdeling waarbij diegenen die de macht in handen hebben, een deel ervan afstaan aan de zogenaamde have-nots (dit is de massa zonder macht)?”.
Actieve participatie houdt in dat het individu/de burger kan “deel-nemen” aan de vormgeving van de samenleving. Om de participant meer structurele kansen te geven om het beleid te beïnvloeden, worden zijn/haar positie en competenties ontwikkeld en ondersteund. Hoe lager op de ladder hoe minder sprake van participatie, aldus Arnstein (1969).
De onderste twee treden slaan op wat Arnstein noemt “non-participatie”. Ze geven de machthebbers de mogelijkheid participanten te heropvoeden eerder dan hen werkelijk te laten participeren bij de opstelling van een plan.
De treden drie en vier vallen onder de noemer tokenisme, hetwelk de “machtelozen” de mogelijkheid biedt te horen en gehoord te worden. Er blijft hier echter een gebrek aan daadkracht, waardoor de meeste wensen dode letter blijven. Op de vijfde trede komt daar bij dat men advies mag verlenen, maar dat de uiteindelijke beslissingsmacht toch nog bij de machthebbers ligt.
Vanaf trede zes krijgen burgers de mogelijkheid zich in een onderhandelingspositie met de machthebbers te plaatsen. Wanneer we nog een stap hoger gaan naar de niveau’s zeven en acht krijgen burgers het merendeel van de beslissinghebbende zetels, of zelfs de volledige soevereiniteit, toegewezen.
Variant op het model van Arnstein
Doordat het model van Arnstein door verscheidene auteurs werd aangevuld en gewijzigd, bestaan er momenteel verschillende varianten. Zoals in onderstaande tabel te zien is maken Edelenbos en Monnikhof (2001) een onderscheid op basis van slechts vijf niveaus van participatie.
| Participatieniveau | Democratievorm | Rol van overheid | Rol participant | Voorbeelden |
|---|---|---|---|---|
| Informeren | Representatieve democratie | Agendavorming door het bestuur, publiek wordt hiervan op de hoogte gehouden. | Toehoorder | Implementatie van EU-richtlijnen zoals mest-wetgevingen voor landbouwers. |
| Consulteren | Inspraak- democratie | Agendavorming door het bestuur, maar ziet publiek als partner bij beleidsvorming. Maar, resultaten uit het overleg worden niet als bindend voor het bestuur beschouwd. | Geconsulteerde | Een vraag naar kritiek op reeds voltooide plannen. |
| Adviseren | Inspraak- democratie | Agendavorming door het bestuur, maar ziet publiek krijgt gelegenheid om problemen en opliossingen aan te brengen. De politiek kan hiervan enkel beargumenteerd afwijken. | Adviseur | Tijdens een voorlichtingsavond kan gevraagd worden tussen drie mogelijkheden te kiezen en deze keuze voorzien van de nodige commentaar. Men zal de gekozen optie uitwerken, rekening houdende met de geleverde commentaar. |
| Coproduceren | Interactieve- democratie | Bestuur en betrokkenen komen samen een agenda overeen, men zoekt samen naar oplossingen. Het bestuur verbindt zich aan de hieruit voortgekomen reslutaten. | Partner | Een publiek-private samenwerking waarbij een private onderneming en de overheid samen een bedrijventerrein aanleggen. |
| Zelfbeheer | Directe- democratie | Bestuur laat agenda- en beleidsvorming volledig over aan de betrokkenen en speelt hierin zelf slechts een adviserende rol. | Beslisser | Wijkbeheer |
Kritiek op de participatieladder
In de realiteit zijn participatievormen vaak complex en zijn ze op meerdere treden van het het model te situeren. Een strakke opdeling van participatievormen is dus dikwijls artificieel. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat in realiteit noch de have-nots, noch de machthebbers een monolitisch blok vormen hoewel diverse groepen elkaar wel als dusdanig percipiëren.
Referenties
Arnstein, Sherry R. (1969). A Ladder of Citizen Participation, Boston: American Institute of Planners, Vol. 35, No. 4, July 1969, pp. 216-224.
Devos, C. (2006). De kleermakers en de keizer. Inleiding tot de politiek en de politieke wetenschappen, Gent: Academia Press, p. 210.
Germonpré, S., Goubin, E., Rubben, M. (2006). Van schietstand tot denktank bewonersplatforms als inspirerend model voor steden en gemeenten. Sint-Brugge: Samenlevingsopbouw West-Vlaanderen, p. 16.
Heins, M. (2001). Interactieve beleidsvorming, een houding. Leeuwarden: Heins Advies, p.2.
Instituut voor Publiek en Politiek (2002). Eindverslag onderzoek Grotestedenbeleid. Participatie in het publiek domein. Amsterdam: Instituut voor Publiek en Politiek, p. 67.
Kalk, E. & De Rynck, F. (2003). Burgerbetrokkkenheid en bewonersparticipatie in de Vlaamse steden, In: De Rynck, F. (Red.), Voorstudies-Witboek Stedenbeleid: De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden, Project stedenbeleid, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, pp. 453-479.